Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wetenschap. Alle posts tonen

maandag 22 november 2021

Tweemaal geloof en wetenschap

 In een leeskring bespraken we het boek  What are we doing here ? van Marilynne Robinson. Gelijktijdig las ik ook de autobiografie van Werner Heisenberg (1901 - 1976): Der Teil und das Ganze, in het Engels vertaald onder de titel Physics and Beyond. In beide boeken komt het thema geloof en wetenschap aan de orde. Beide schrijvers zijn christen en vertellen hoe ze omgaan met die spannende combinatie.

Marilynne Robinson is de auteur van de bekende romanserie over John Ames, een dominee op het platteland in Iowa. De serie bestaat uit de romans Gilead, Home, Lila, en Jack. Voor Gilead kreeg ze in 2005 de Pulitzer Prize for Fiction.

Ze heeft ook meerdere essaybundels gepubliceerd en "What are we doing here ?" is haar meest recente. Marilynne Robinson is een zelfbewuste nonconformist: ze is heel open over haar christelijke geloofsovertuiging en over hoe die ingekleurd wordt door het Amerikaanse puritanisme. Met grote waardering vertelt ze over de theoloog en filosoof Jonathan Edwards, de meest bekende en grootste denker uit het Amerikaanse Puritanisme. Ook Calvijn kan op haar warme belangstelling rekenen. Maar haar nonconformisme beperkt zich niet to haar geloofsovertuiging. Ze neemt ook stevige posities in over onderwerpen als geloof en wetenschap,  de menselijke humaniteit en de teloorgang ervan in de Westerse cultuur, en over het belang van schoonheid en verwondering.

Haar essays zijn pittige kost. Ze heeft een associatieve wijze van argumenteren. Daardoor slaat ze zijweggetjes in waardoor je je afvraagt waar het nu heen gaat, om dan plotseling weer terug te keren bij het onderwerp. Het loont de moeite om haar opstellen te lezen, te laten bezinken, en te herlezen. Ten aanzien van geloven en wetenschap gaat ze kritisch in gesprek met diverse wetenschapsfilosofische stromingen: het reductionisme, het positivisme, het evolutionisme. Ze is geen natuurwetenschapper maar taalkundige maar dat blijkt geen beletsel: het stelt haar in staat om vanuit verrassende premissen vragen te stellen. Uiterst zorgvuldig gaat ze om met woorden en hun betekenissen. Een voorbeeld: In het eerste deel "Faith" van het artikel "Considering the theological virtues" analyseert ze de betekenissen van "brains" en "mind" en "soul" en dat leidt tot een prachtige uitleg van de religieuze lading en waarde van de beide laatste begrippen.

Robinson heeft een breed overzicht van allerlei wetenschappelijke ontwikkelingen. Zonder dat ze de details van de verschillende disciplines beheerst weet ze voortdurend scherpe vragen over vooronderstellingen en uitgangspunten  te stellen. Het gaat haar er om menselijke waardigheid en betrokkenheid op God niet verloren te laten gaan door een doorgeslagen rationaliteit.

De autobiografie van Werner Heisenberg (1931 - 1976) is heel anders van opzet. Hij vertelt op toegankelijke wijze over zijn bijdragen aan de ontwikkeling van de quantummechanica in de eerste helft van de vorige eeuw. Die leverden hem al in 1932 de Nobelprijs voorde natuurkunde op. De compositie van het boek is opvallend: in elk hoofdstuk vertelt hij over een levensperiode. De ontwikkelingen in de quantummechanica staan steeds centraal, afgewisseld met anecdotes over zijn dagelijkse leven. Er staan geen formules in het boek. Daardoor geeft het boek geen inzicht in de mathematische structuur van de quantummechanica. Heisenberg besteedt veel aandacht aan de wetenschapsfilosofische vraagstukken waar de fysici toen mee worstelden. Hij weet daar bijzonder boeiend over te vertellen. Door de gesprekken in dialoogvorm weer te geven en te vertellen waar en met wie en in welke omstandigheden die plaatsvonden is het alsof je bij hen aan tafel schuift: Einstein en Bohr, Dirac, Schrödinger.

Een thema dat regelmatig terugkomt is de aard van het experimenteren en de veranderde verhouding tussen de geobserveerde wereld en de experimentator. In de klassieke natuurkunde is de experimentator een objectieve en onafhankelijke waarnemer, in de atoomfysica is dat niet langer het geval. De daar van toepassing zijnde wetten van de quantummechanica vereisen een subtieler verstaan van die relatie: de experimentator gaat door het meten deel uitmaken van de geobserveerde wereld van elementaire deeltjes.

De worsteling om alle nieuwe inzichten te duiden is een rode draad in het boek. Heisenberg vertelt hoe hij als 24-jarige fysicus met zware hooikoorts naar het winderige eiland Helgoland in de Noordzee vertrekt om daar te genezen. Hij werkt er verder aan zijn baanbrekende artikel over quantumsprongen tussen energieniveaus, het begin van de matrix mechanica. Om drie uur 's nachts heeft hij een aantal cruciale berekeningen uitgevoerd die zijn vermoedens bevestigen. Hij is geschokt, verrukt, haast duizelig van de geordende mathematische structuren die hij in de atoomfysica heeft ontdekt. Van slapen komt het niet meer. Hij wandelt naar de rotsachtige kust en kijkt naar de opkomende zon.... Dit wordt het begin van een stormachtige ontwikkeling in de moderne natuurkunde.

Heisenberg en de andere fysici spraken veel over de betekenis van de nieuwe ontdekkingen. Die bezinning beperkte zich niet tot bijstelling van natuurkundige grondbeginselen. Ze spraken ook over zingeving, de rol van wetenschappers in de samenleving, en over religie. Heisenberg was Luthers opgevoed en heeft zijn christelijke geloof altijd vastgehouden. Marilynne Robinson is heel duidelijk over de inkleuring van haar geloof: ze weet zich verbonden met het Amerikaanse Puritanisme. Heisenberg vertelt weinig over zijn persoonlijke geloofspraktijk. Hij denkt na over de verhouding van natuurwetenschap en religie en vertelt waar hij staat. Zijn meest uitgesproken gedachten over religie staan in de hoofdstukken 7 en 17 van Der Teil und das Ganze. Daarnaast heeft hij ook in zijn rede Naturwissenschaftliche und religiöse Wahrheit zijn inzichten gedeeld.

Heisenberg is van mening dat natuurwetenschap en religie naast elkaar kunnen bestaan en dat elk een waarheidsaspect van de werkelijkheid vertegenwoordigt. De natuurwetenschap geeft ons inzicht in Das Teil, het elementaire deeltje, en alles wat we daarachter nog zullen ontdekken. De religie draagt en verankert ons als menselijke gemeenschap in Das Ganze:  het zinvolle verband dat ons een ethiek geeft waarnaar we ons leven kunnen richten. Heisenberg is geen scherpslijper en geeft geen antwoorden op de moeilijke vragen rond bijvoorbeeld religieuze waarheid en de wereldgodsdiensten. Hij merkt op dat hij in een christelijke cultuur geboren is en nooit redenen heeft gezien om dat te beschouwen als een toevalligheid. Hij neemt geen afscheid van God. Heisenberg is een begaafd pianist geweest. Bij hem vormen geloven, musiceren, poëzie, en natuurwetenschap een harmonieuze eenheid.

donderdag 25 oktober 2018

Slimme computers

Een collega maakte me attent op een artikel waarin met de nodige reserves naar AI (artificial intelligence) gekeken wordt. Met name de combinatie AI en Big Data wordt kritisch uitgebeend.
De auteur, Gary Smith, is economisch statisticus en publiceert regelmatig over de grenzen van statistische analyses, zoals die toegepast worden in AI en in big data onderzoek. Zijn artikel is een inleiding op zijn boek The AI delusion.


Smith vindt dat we te gauw vertrouwen op de betrouwbaarheid van door AI gegenereerde adviezen. Onze aanname dat computers sneller en beter denken en analyseren bevat zeker een kern van waarheid. Computers kunnen zeer snel grote hoeveelheden data doorzoeken en daarbij verbanden leggen die we zelf niet zo gauw op het spoor waren gekomen.
Het is echter gevaarlijk om aan te nemen dat AI altijd met juiste oordelen of aanwijzingen komt. Uiteindelijk zijn deze oordelen gestoeld op statistische analyses, met hun eigen beperkingen. Lang niet altijd is een gevonden correlatie een betrouwbaar of blijvend verband tussen grootheden. Het blijft dus nodig om zelf de vinger aan de pols te houden.
Het artikel eindigt met:
In the age of AI and big data, the real danger is not that computers are smarter than us, but that we think computers are smarter than us and therefore trust computers to make important decisions for us. We should not be intimidated into thinking that computers are infallible. Let’s trust ourselves to judge whether statistical patterns make sense and are therefore potentially useful, or are merely coincidental and therefore fleeting and useless. Human reasoning is fundamentally different from artificial intelligence, which is why it is needed more than ever.

Ik ben wat dieper gaan inzoomen op wat de AI specialisten er zelf van vinden, en kwam terecht bij François Chollet, een AI-onderzoeker werkzaam bij Google en auteur van Keras, een in Python geschreven framework voor deep learning (wiki)
Een jaar geleden heeft hij een interessante blog The impossibility of intelligence explosion geschreven.
Het idee van een mogelijke intelligence explosion is al in 1965 bedacht door de Pools-Joodse mathematicus Irving John Good: Stel dat we een computer bouwen die zichzelf kan verbeteren door de eigen programmacode aan te passen. Zodra dit begint zullen de verbeteringen zich op elkaar stapelen, en zal er dus een intelligentie explosie plaatsvinden.
Dit idee is tot op de dag van vandaag terug te vinden in de populair-wetenschappelijke artikelen over AI. François Chollet beargumenteert op overtuigende wijze dat dit idee berust op een verkeerd inzicht in zowel de aard van intelligentie, als in de mogelijkheden van AI, i.h.b. die van deep learning. 

Ten aanzien van intelligentie betoogt Chollet dat intelligentie veel meer is dan alleen maar het probleem-oplossend vermogen van ons brein of van een computer. Intelligentie is situationeel bepaald, ingebed in de cultuur, en dus in belangrijke mate extern. Intelligentie zit in de boeken waar we toegang toe hebben, en in wiskundige formules. Chollet illustreert dit met vele voorbeelden.

Ten aanzien van deep learning maakt Chollet duidelijk dat deze aanpak goed werkt voor geavanceerde patroonherkenning, zolang we "dicht bij de trainingsdata blijven": One important limitation of our capabilities on that front is that our models can only handle inputs that are extremely close to what they've seen before -- you can't get very far from your training data. What we're doing here is basically glorified high-dimensional curve fitting.

In een interview met DataCamp wordt aan Chollet gevraagd waar AI niet goed in is. Ik laat zijn volledige aantwoord volgen:
  • Anything that requires "grounding" or "understanding". For instance, AI can't understand the meaning of natural language, instead it treats language in terms of statistical dependencies or hard-coded processing rules. "Meaning", as it exists in the human mind, derives from embodied human experience, which our AI models don't have access to. For now at least. So no AI system today can "understand" its task in a way that would make sense to a human. Models merely map out the statistical manifold of their training data.
  • Anything that involves dealing with data that's different from what the AI has seen before. AI can only apply rules you've coded explicitly, or recognize things that are very, very close to what it was trained on. Our capabilities decay exponentially the more uncertainty or variation you introduce in a task.
  • Anything that involves reasoning and abstraction. Either we can hardcode explicit reasoning rules into the machine, or we can't perform reasoning at all. Current AI cannot figure out on its own abstract models of a situation. Arguably this is the main bottleneck to AI development today. If you solved it you would quickly be able to overcome the previous two.
Hoewel AI nu nog duidelijke beperkingen heeft, zullen er de komende jaren vorderingen worden gemaakt om de hierboven genoemde tekorten en problemen op te lossen. De fase van kinderziektes zal van voorbijgaande aard zijn.
Waar moeten we op letten om tot goede AI toepassingen te komen ? Chollet noemt drie belangrijke aandachtspunten voor de AI-gemeenschap:
  • Hype. De mogelijkheden van AI worden overdreven en er worden niet na te komen verwachtingen gecreëerd. Dat is gevaarlijk, en het belemmert het publieke debat
  • Ethiek. De AI-gemeenschap is in enkele jaren exponentieel gegroeid en bestaat uit jonge onervaren onderzoekers die zich nauwelijks bewust zijn van de ethische implicaties van de nieuwe AI toepassingen, bijvoorbeeld ten aanzien van bevooroordeelde AI systemen, of manipulatie
  • Wetenschap. Er wordt veel gepubliceerd en weinig gecontroleerd. Dat leidt tot gemakzuchtig en/of  onbetrouwbaar wetenschappelijk onderzoek. Het risico van onvoldoende toezicht en intervisie ligt op de loer.

donderdag 9 november 2017

Boek: En de aarde bracht voort - Gijsbert van den Brink

Dit is een spraakmakend en grensverleggend boek. In lange tijd is niet zo'n grondige studie verschenen over het bekende thema Christelijk geloof en evolutie, de subtitel van het boek. Er worden congressen en forumdiscussie georganiseerd, het is the talk of the town onder protestantse christenen van gereformeerde overtuiging.
Gijsbert van de Brink doet als eerste een poging om evolutietheorie - als wetenschappelijke theorie, niet als geloofsovertuiging - en christelijk geloof met elkaar te verzoenen. Hij is duidelijk over zijn uitgangspunt. Dat is de vraag: wat gebeurt er met de klassieke geloofsuitspraken over schepping, zondeval, en verlossing wanneer we aannemen dat de evolutietheorie waar is ?


Dat doet hij op een grondige en eerlijke manier: nauwgezet behandelt hij de standpunten van voor- en tegenstanders en weegt de argumenten. Tot slot geeft hij dan zijn eigen mening, niet om daar discussies mee te beslechten, maar om klare wijn te schenken over zijn positie.
De discussie wordt nogal eens versimpeld tot clichés: Wie gelooft er nu dat de mens van de apen afstamt ?" of "Geloven dat de aarde in zes dagen geschapen is is achterhaald". Van den Brink doet recht aan de materie en stelt geduldig de belangrijke detailvragen vast. Hij onderscheidt drie belangrijke thema's, elk met eigen vragen:

Voortgaande of progressieve schepping. Het leven op aarde is gedurende vele miljoenen jaren ontstaan. Dit leidt tot de volgende vragen:

  • Hoe lezen we de bijbelteksten die wijzen op een recente schepping in zes dagen ?
  • Hoe zit het met het evolutionaire kwaad als er gedurende miljoenen jaren al lijden en dood waren ?
Gemeenschappelijke afstamming. Alle levensvormen zijn ontstaan uit één en dezelfde bron. Dit brengt de volgende vragen met zich mee:
  • Hoe uniek is de mens, wanneer hij afstamt van de dieren ?
  • Hebben Adam en Eva echt bestaan, en zo niet: hoe zit het dan met de (erf)zonde ?
Natuurlijke selectie door toevallige mutaties. Dit brengt ons bij de volgende vragen:
  • Kunnen we nog van de voorzienigheid Gods spreken als er sprake is van natuurlijke selectie ?
  • En is er dan nog wel sprake van moraliteit ?
Van den Brink heeft een ongelofelijke hoeveelheid bronnenmateriaal verwerkt. Elke vraag wordt zorgvuldig besproken, en de  diverse standpunten worden weergegeven. Het geeft de lezer een goed beeld van het wetenschappelijke debat.  Ook wordt het duidelijk dat wetenschappelijk inzicht nooit objectief is, maar ontstaat en groeit in een gemeenschap van experts met overtuigingen die dieper liggen dan rationele argumenten.Het gewicht dat iemand aan de verschillende argumenten toekent wordt  mede bepaald door die dieper liggende overtuigingen.

Daarmee kom ik bij mijn eigen bevindingen: wat heeft het lezen van dit boek me gebracht ?
Ik heb hier eerder over geschreven, zie hierIk sta in hetzelfde kamp als Gijsbert van den Brink, en ik heb grote bewondering voor dit knappe en eerlijke boek.

Toch kreeg ik gaandeweg het lezen een onbehaaglijk gevoel. Dat heeft denk ik te maken met de wijze waarop het boek geschreven is: het is door en door "wetenschappelijk". Door het gekozen uitgangspunt: "Wat als de evolutietheorie waar is?" is de toonzetting bepaald: die van een wetenschappelijk debat, op basis van argumenten gevoerd.
Maar geloofstaal, en ook de taal van de daarmee samenhangende dogma's, is van een andere hoedanigheid. Geloofstaal is soms ook suggestief, verwijzend, en heeft besef van verwondering en mysterie, van dingen die je wel kunt duiden maar niet kunt beschrijven. Ik heb dus regelmatig gedacht: Wil ik het allemaal zo uitgebeend hebben ? En overtuigt het dan wel echt ?

De tijd zal het leren. Voorlopig zullen er nog vele avonden over Evolutie en Geloof worden belegd en dat is goed bestede tijd. Te vaak raken met name jonge mensen hun geloof kwijt door de verouderde opvatting dat wetenschap bron van objectieve kennis is en in tegenspraak is met geloof in God en bijbel.
Ik zing nog steeds met volle overtuiging en uit volle borst psalm 19, en ben daarnaast van mening dat ik dat wonder met de evolutietheorie enigszins kan begrijpen.

vrijdag 7 oktober 2016

Slimme robots zijn nog steeds machines.

Ik wil het gaan hebben over robots uitgerust met kunstmatige intelligentie en motoriek, de "menselijke robot" dus. Deze robots worden steeds slimmer. Ze zullen naar verwachting in 2030 intelligenter zijn dan wij.  Dat kan veel aangenaams met zich mee brengen, maar het tegenovergestelde is ook denkbaar: misschien zullen robots dan besluiten dat mensen overbodige wezens zijn die maar beter onder de knoet kunnen worden gehouden, of zelfs uitgeroeid: de robopocalypse.

Over de betrouwbaarheid van deze toekomstvoorspellingen zo dadelijk meer, maar allereerst wil ik het volgende uitgangspunt kiezen:
Robots en hun kunstmatige intelligentie zijn machines, door mensen bedacht en gemaakt, met de bedoeling ons het leven te vergemakkelijken omdat ze vervelende of saaie taken zonder gedoe uitvoeren.
Ze lijken steeds meer op ons, en met name de kunstmatige intelligentie van robots gaat met sprongen vooruit, maar... robots zijn machines.


Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt omdat ik steeds vaker merk dat robots worden gezien als gelijkwaardig met ons, mensen. Sommigen gaan nog een stap verder en stellen de vraag waarom wij, mensen, superieur zouden zijn aan de super-intelligentie die we aan het ontwikkelen zijn. Een in mijn ogen alarmerend citaat: There is no reason why intelligence can't exist outside a biological substrate. Als je vindt dat intelligentie los kan worden gezien van stoffelijkheid dan open je toch wel een doos van Pandora.
Mijn bezorgdheid is dat we bij onze omgang met robots in een al te menselijke belevingswereld terechtkomen. Kunstmatige intelligentie vergemakkelijkt dit.  Nog steeds bedenken en maken wij deze technologie. Maar nu is ze abstract en veel gemakkelijker te zien als gelijkwaardig met het menselijke denken. Die gelijkstelling zal steeds sterker worden, omdat de kunstmatige intelligentie krachtiger wordt en ons de indruk geeft dat robots "net zo denken" als mensen. Dan vergeten we dat robots machines zijn, en dat wij de taak hebben de werking en het gebruik van robots te bepalen en zo nodig in te perken. Ook hun kunstmatige intelligentie.
Naar mijn overtuiging zijn we rentmeesters op aarde. Het is onze job om techniek aan te wenden voor de invulling van dat rentmeesterschap. En dat kan samen met mensen met een andere overtuiging maar met hetzelfde doel. Wij hebben de taak om aan deze technologie grenzen te stellen, zodat ze aan ons dienstbaar blijft en geen schade aanricht aan ons of onze leefomgeving.
Dat is geen nieuws, we doen dit al honderden jaren en verankeren het bijvoorbeeld  in wet- en regelgeving. Denk aan milieuwetgeving die eisen stelt aan de uitstoot van schadelijke stoffen, of het verbod op het gebruik van chemische wapens (dat helaas met voeten wordt getreden in dit verlichte tijdperk). Voor robots met kunstmatige intelligentie zullen we dus een machine ethiek moeten gaan ontwikkelen.
Ik geef eerst een paar voorbeelden van soms heel nabije ontwikkelingen:
  1. Robots gaan diagnoses stellen in geneeskundige onderzoeken, of vonnissen uitspreken in de rechtspraak. Dankzij het vermogen van robots om grote hoeveelheden gegevens snel te analyseren zullen medisch specialisten en rechters tot betere medische of juridische oordelen komen.
  2. Robots gaan een gevoelsleven nabootsen. Ik gebruik nadrukkelijk niet het woord ontwikkelen, omdat robot-emoties geprogrammeerde implementaties zijn van onze modellen van emoties. In de Zweedse SF-serie Real Humans over een samenleving waarin "human robots" of ook wel "hubots" met mensen samenleven, wordt dit heel boeiend verfilmd. Wat als je verliefd wordt op een hubot ? En heeft een hubot ook stemrecht ?
  3. Robots gaan een belangrijke rol in de uitvoerende zorg spelen. In Japan wordt druk geëxperimenteerd met robots in de ouderenzorg 
  4. Robots gaan schilderwerken maken en muziekstukken componeren. Ik vraag me wel af hoeveel belangstelling er zal zijn voor een robot-Picasso in je woonkamer. Als het nieuwtje er af is gaan we weer gewoon "echte" kunst kopen of naar "echte" nieuwe muziek luisteren. We zullen aan machinale kunst geen grote waarde toekennen, omdat we de menselijke grootheid erin zullen missen.
  5. Robots zullen steeds meer deel gaan uitmaken van ons lichaam en onze hersenen (ik gebruik hier niet "geest" omdat ik als dualist onderscheid maak tussen die beiden). Er wordt druk geëxperimenteerd met exo-skeletten en met de integratie van het menselijke brein met kunstmatige intelligentie.
De spannende vraag is nu hoe we het gedrag van robots gaan normeren, hoe ziet de machine ethiek voor robots er uit ?

In 1942 deed de SF-schrijver Isaac Asimov een eerste poging met het formuleren van "de drie wetten van de robotica":
  1. Een robot mag een mens geen letsel toebrengen of door niet te handelen toestaan dat een mens letsel oploopt.
  2. Een robot moet de bevelen uitvoeren die hem door mensen gegeven worden, behalve als die opdrachten in strijd zijn met de Eerste Wet.
  3. Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, voor zover die bescherming niet in strijd is met de Eerste of Tweede Wet.
Later werd de nulde wet toegevoegd: Een robot mag geen schade toebrengen aan de mensheid, of toelaten dat de mensheid schade toegebracht wordt door zijn nalatigheid.
De meeste AI-experts zijn het er over eens dat de wetten van Asimov geen toereikende basis zijn voor een machine-ethiek. De romans van Asimov lijken dat te bevestigen: de ontoereikendheid van de robotica wetten zijn aanjagers voor de plots van zijn verhalen.
 
Er is veel literatuur te vinden over robots en kunsmatige (super) intelligentie. Ik ga citeren uit een boeiend interview met Benjamin Goertzel en Louie Helm.  Beiden zijn  frontline AI-experts, hun wetenschappelijke blogs staan hier (Goertzel) en hier (Helm).
Ze verwachten dat "mensachtige robots" een tussenfase zullen zijn en dat de uitdaging niet zozeer zit in het beheersen van deze machines, maar in de veilige ontwikkeling van "super artificial intelligence" (SAI). Welke machine-ethiek hebben we nodig voor intelligentie die de menselijke ver zal gaan overtreffen, in snelheid,  in denkkracht, en in creativiteit ?

Beiden vinden dat de Asimov robotica wetten geen goede basis voor een machine ethiek vormen. Eén van de argumenten is dat een op regels gebaseerde ethiek (een deontologie) geen basis  kan vormen, omdat de uitgangspunten ervan niet deugen. Waarom dat zo is wordt niet me duidelijk. Ik kan me voorstellen dat dit een scherp debat tussen voor- en tegenstanders kan opleveren, want dit soort grondslagendiscussies hebben vaak meer te maken met de eigen overtuiging dan met wetenschappelijke argumenten.

Helm vindt dat we geen SAI met een eigen bewustzijn moeten gaan ontwikkelen. Hij verwacht dat de AI-wetenschappers dit niet zullen gaan doen: Most AI developers are ethical people, so they will avoid creating what philosophers would refer to as "beings of moral significance."  Hoe de machine ethiek er dan uit moet gaan zien blijft in de lucht hangen:
" I favor machine ethics approaches that are more cooperative, more reflectively consistent, and are specified with enough indirect normativity that the system can recover from early misunderstandings or mis-programmings of its ethics and still arrive at a sound set of ethical priciples anyway".
"Indirecte normativiteit" is wel wat zweverig. Bovendien moet het systeem uitkomen bij een sound set of ethical principles, maar dat is logisch inconsistent met de eerdere uitspraak dat een op regels gebaseerde ethiek niet deugt. 

Goerzler komt er ook niet goed uit: If an AGI (artificial general intelligence) is created to have an intuitive, flexible, adaptive sense of ethics - then, in this context, ethical precepts can be useful to that AGI as a "rough guide" to applying its own ethical intuition. But in that case the precepts are not the core of the AGI's ethical system, they're just one aspect. This is how it works in humans - the ethical rules we learn work, mainly as guidance for nudging the ethical instincts and intuitions we have - and that we would have independantly of being taught ethical rules
Naar mijn smaak is ook dit weer "sloppy thinking": een op regels gebaseerde machine ethiek wordt verworpen al startpositie, maar keert steeds terug als te bereiken einddoel. Daarnaast worden begrippen  als ethisch instinct en ethische intuïtie geïntroduceerd als zelfstandige entiteiten, terwijl niemand precies weet hoe ons ethisch bewustzijn zich vormt. 

Helm en Goerzler hopen dat we in de nabije toekomst de problemen te boven zullen komen: Hopefully in that way we will be able to formulate good theories of AGI ethics, which will enable us to understand the topic better. But right now, theorizing about AGI ethics is pretty difficult, because we don't have any good theories of ethics nor any really good theories of AGI
Mijn conclusie: er wordt hard gewerkt aan het ontwikkelen van superintelligentie en we weten nog niet welke ethische spelregels we aan die super intelligentie meegeven.

Gelukkig zijn er initiatieven om in deze leemte te voorzien. Eén van de belangrijkste is misschien wel de Open Brief uit 2015 waarin gepleit wordt voor AI toepassingen die ten goede komen aan de samenleving. Deze brief is inmiddels ondertekend door bijna 9000 wetenschappers en captains-of-industry, waaronder de fysicus Stephen Hawking, Elon Musk (Tesla), Steve Wozniak (Apple), en Bill Gates (Microsoft).
Ook is er een grote sense of urgency over de risico's van autonome killer robots die nu door militaire research laboratoria worden getest. Ook hier over is in 2015 een Open Brief over autonome wapens gepubliceerd, en deze is opnieuw ondertekend door o.a. Hawking, Musk, Wozniak, en Gates.

zaterdag 20 augustus 2016

Boek: Living on the Edge: Quantum Biology - McFadden & Al-Khalili

De trek van dieren boeide me al toen ik een basisschool leerling was: hoe is het mogelijk dat een rode zalm vanuit de binnenlanden van Alaska naar de oceaan zwemt, en later naar dezelfde rivierarm terugkeert om er kuit te schieten ?
Tijdens mijn afstudeeronderzoek werd ik begeleid door de briljante Amerikaanse fysicus William Bialek die zich gespecialiseerd had in quantumeffecten in de biologie: Allerlei biologische processen blijken pas goed te begrijpen wanneer die met behulp van de quantummechanica ontleed worden. Ook dit fascineerde me.

Migratiepaden van Duitse roodborstjes
In het boek Living on the Edge: the coming of age of quantum biology van Johnjoe McFadden en Jim Al-Khalili worden hier een aantal fraaie voorbeelden van gegeven.
Zo blijken  roodborstjes bij hun migratie van Scandinavië naar Marokko een bijzonder gevoelig quantumkompas te gebruiken.
Stap voor stap wordt verslag gedaan van de speurtocht naar de werking er van. Het begint in de jaren '60 van de vorige eeuw met gedragsexperimenten met roodborstjes. Ornithologen weten met veel geduld vast te stellen dat roodborstjes het aardmagnetisch veld op een of andere manier "zien", Het is echter niet duidelijk hoe dat in zijn werk gaat.

Roodborstjes blijken het aardmagnetisch veld met hun rechteroog waar te nemen
Een belangrijke vraag is hoe de chemische reacties die nodig zijn voor de waarneming worden opgestart. Een biofysicus oppert de mogelijkheid dat de aanjager quantumverstrengeling kan zijn: een voor alledaagse begrippen wonderlijk fenomeen dat zich diep in de subatomaire wereld afspeelt. Uit zijn berekeningen blijkt dat het aardmagnetisch veld van invloed is op deze quantumverstrengeling en het als een soort chemische schakelaar laat werken. Door verder onderzoek ontdekte men dat een eiwit in het oog van het roodborstje dit gedrag vertoont. Roodborstjes kunnen het aardmagnetisch veld dus "zien".
Het quantumkompas van het roodborstje levert verbluffende prestaties: in laboratoriumopstellingen moet gekoeld worden tot - 180 graden C om quantumverstrengeling gedurende enkele microseconden tot stand te brengen. Het roodborstje doet dat bij kamertemperatuur gedurende 10-20 milliseconden, duizenden keren zo lang....

Quantumverstrengeling meten in Delft
Op het eind van het boek wagen de schrijvers zich aan een lastig onderwerp: hoe werkt onze geest, speelt quantummechanica daar ook een rol ? Hier wordt de analyse speculatief, en de schrijvers zijn daar eerlijk over.

Ik krijg hier het meest last van de populaire opvatting, breed gedragen door veel wetenschappers en ook door de schrijvers van dit boek, dat er geen verschil is tussen geest en stof. In dit reductionistische  wereldbeeld (wiki) zijn alle verschijnselen herleidbaar tot fysische en chemische processen. Het wetenschapsfilosofische debat hier over is al heel oud: dualisten staan tegenover monisten, en het materiële reductionisme van veel wetenschappers is een expressie van het laatste.

Een vijftal jaren geleden laaide de discussie weer op naar aanleiding van het boek Wij zijn ons brein van neuroloog Dick Swaab, zie hier een  kritische reactie van het Filosofisch Magazine.
Ik heb me altijd tot de dualisten gerekend, en Life on the Edge brengt daar geen verandering in.
De afgelopen weken lees ik een bundel essays van Marilynne Robinson The Givennes of Things. In het essay Givennes analyseert ze religieuze ervaringen en emoties, en komt terecht bij de vraag naar de aard van ons bewustzijn. Ze geeft een aardig voorbeeld (p79), en ik heb er meerdere varianten van gezien, van de rariteit van het terugbrengen van bewustzijn, emoties, en betekenisgeving tot enkel hersenactiviteit:
"If you happenen to have a thousand-dollar bill, and I told you it was in fact a slip of paper with the image of Grover Cleveland printed on it, you would not accept this as true in any important sense, no matter how true it might be in the impossible absence of history, culture, and the rest" (cursief van mij). 




zaterdag 23 augustus 2014

Big Data, sensors, en privacy

Vorig jaar heb ik het boek De Big Data revolutie besproken. In het boek wordt op onderhoudende en duidelijke wijze uitgelegd wat Big Data is en welke gevolgen het heeft, bijvoorbeeld voor je privacy.
In het kort: Big Data analyse is het doorzoeken van grote hoeveelheden gegevens naar verbanden tussen grootheden. Veel interesse gaat uit naar het opbouwen van profielen van mensen en hun gedrag, maar ook wordt Big Data onderzoek toegepast bij het optimaliseren van onderhoud van auto's en machines, het verbeteren van voorraadbeheer, of het analyseren van geologische data.
In Big Data onderzoek worden statistische analyses gedaan waarbij de correlaties tussen grootheden worden vastgesteld. Wanneer de correlatie hoog  is, kan er sprake zijn van een interessant verband, maar hier is de vakkennis van de zogenaamde data scientist van groot belang. Niet  elke hoge correlatie duidt op een zinvol verband. Statistici spreken dan van spurious correlations, en in dit artikel wordt er stevig de draak mee gestoken.

source: http://www.bestthinking.com/trendingtopics/science/applied_science/materials_science/wearable-flexible-stretchable-electronics-promise-much-including-inevitable-problems
In dit artikel wil ik ingaan op een ontwikkeling die al enkele jaren aan de gang is: sensors worden steeds goedkoper en worden daarom steeds meer toegepast voor het genereren van Big Data. En dat heeft grote gevolgen voor onze privacy.
Enkele voorbeelden van innovatieve toepassingen van sensors die de laatste jaren op de markt verschenen zijn:
  • Hier kun je lezen hoe auto's meer en meer worden volgestopt met sensoren. De analyse van al die gegevens wordt op verschillende manieren gebruikt: voor het personaliseren van het rijgedrag van de auto, voor onderzoek naar het ontstaan van files, en.... voor het goedkoper maken van je autoverzekering
  • Fairverzekering biedt zo'n autoverzekering aan: een kastje in je auto verzamelt gegevens over je rijgedrag, en geeft je een score groen, oranje, of rood. Bij groen krijg je de meeste korting, bij rood niets.
  • Over de slimme meter die je electriciteits- en gasverbruik meet is veel te doen. De huidige stand van zaken is dat niemand een slimme meter hoeft af te nemen, en dat het uitlezen van de meter aan strenge regels gebonden is. 
  • Meer en meer apparaatjes meten je gezondheid en je fitness. Fitbit polsbandjes meten je lichaamstemperatuur,je lichaamsactiviteit overdags en in je slaap, en via je smartphone worden die gegevens voor je bewaard door Fitbit zodat je trendanalyses kunt gaan doen, of je huisarts kunt verrassen met kant-en-klare grafiekjes over je gezondheid. En misschien wil Fitbit er ook wel iets mee doen.....
  • Nog een stapje verder gaan de stretchable electronics die in kleding kunnen worden verwerkt, of zelfs in je lichaam kunnen worden geplaatst, voor nauwkeurige metingen van allerlei biometrische waarden.
Wanneer we gesteld zijn op onze privacy zullen we nu in actie willen komen. Maar wat gaan we doen ? Al in de jaren 80 zijn de basisspelregels voor privacy vastgesteld. De versie van de OECD is het meest bekend geworden (zie hier de revisie van 2013), en vormt de basis voor de privacywetgeving in de EU en de VS. De  Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) is de Nederlandse invulling van de EU privacy richtlijn uit 1995. Momenteel werkt de EU aan een nieuwe Data Protection Regulation  die bindend wordt voor alle lidstaten en de nationale privacy wetten zal gaan vervangen. Aan wetten ontbreekt het ons niet.

Een belangrijke privacy bouwsteen voor burgers is het toestemmingsmechanisme, dat in alle privacywetgeving voorkomt. We kennen het allemaal in de vorm van het "I accept" vakje dat we moeten aanvinken bij het installeren van software.
Het is een mooi voorbeeld van de beperktheid van dit mechanisme. Die zit 'm ten dele in ons eigen gedrag: we zijn vaak te lui en te hebberig om lange privacy statements te lezen, en accepteren de voorwaarden blindelings. Maar er is ook een forse asymmetrie in macht en kennis tussen grote marktpartijen en individuele burgers. In je eentje wordt het een lastig gevecht met Amazon of met Google....
Een volgend bezwaar is dat het bijhouden van privacy-afspraken met zoveel verschillende partijen met wie je op internet zaken doet een onbegonnen werk, het zijn er te veel.
Tot slot blijkt dat privacybewaking bij Big Data lastig is omdat het toestemmingsmechanisme vaak in werking treedt bij de datacollectie. Maar Big Data analyse gebruikt nou juist op een later moment meerdere al bestaande gegevensverzamelingen zonder goed aan te kunnen geven naar welke verbanden gezocht wordt, en zonder dat bekend is wie de oorspronkelijke data-eigenaren zijn.

De conclusie is dat privacybewaking op individueel niveau niet goed werkt. Gelukkig is dat niet het einde van het verhaal. De laatste jaren is er een duidelijke bewustwording aan de gang bij overheden, en grote groepen burgers organiseren zich en gebruiken hun recht op privacy om juridische procedures aan te spannen tegen multinationals die het met de privacy niet zo nauw nemen.
Bij de nu lopende revisies van de privacy wetgeving wordt veel meer aandacht besteed aan de verantwoordelijkheden van de data-verwerker. Deze moet kunnen aantonen dat er een goede risico-analyse is uitgevoerd van de dataverwerking, dat er goed werkende privacy maatregelen zijn getroffen, en dat de beveiliging van de gegevens op orde is.

Verschillende landen binnen de EU zijn onderzoeken gestart naar privacy bij Google. Ons College Bescherming Persoonsgegevens heeft in november vorig jaar vastgesteld dat de privacyvoorwaarden van Google in strijd zijn met onze WBP.
Ín Nederland alleen al zijn de afgelopen maanden meer dan vierduizend verzoeken ingediend bij Google om links naar privacy gevoelige gegevens te verwijderen.
In de USA wordt achterdochtig gereageerd op de nieuwste gadgets van Amazon, de Fire Phone, de cloud browser Silk, en de drone pakketdienst Prime Air,  omdat die een gevaar vormen voor de privacy van de Amerikaanse burgers.
Willen we onze privacy beschermen ? Wees dan alert, en bundel de krachten.

dinsdag 1 oktober 2013

Boek: De Big Data Revolutie

Heb je online je weekendhuisje opgezocht, vind je wekenlang nog allerlei vakantie-aanbiedingen in je Google scherm. Alsof je favoriete hulpje alles van je onthoudt.... En dat is ook zo. Google legt al je handelingen op het Web vast en bouwt zo een nauwkeurig profiel van je op. En Google doet dat niet alleen. Iedereen doet het.

Met elkaar produceren we enorme hoeveelheden gegevens: op het Web, bij telecombedrijven, op bewakingscamera's, als we boodschappen doen bij de AH, of bij onderzoeken in het ziekenhuis. En voor het eerst kunnen we al die gegevens benutten, want onze computers zijn sneller en kunnen meer gegevens onthouden dan ooit te voren. Welkom: Big Data !

Google rekencentrum
Victor Mayer Schönberger, hoogleraar aan het Oxford Internet Institute, en Kenneth Cukier, journalist van the Economist, schreven een goed leesbaar boek over Big Data, met als ondertitel: Hoe de data-explosie al onze vragen gaat beantwoorden. Als dat geen groot vertrouwen in technologie is...

Hun boek begint met het inmiddels bekende voorbeeld van de griep-voorspelling die Google in 2009 in de VS kon doen door slim gebruik te maken van de door hun vastgelegde gegevens. Google legt alle zoekopdrachten vast, dus ook de tientallen miljoenen zoektermen die door Amerikanen in die periode zijn ingetikt.
Bij de eerste poging probeerden de Google-wetenschappers verbanden te leggen tussen zoektermen als "medicijn", "hoest", of koorts", en de officiële historische gegevens over de verspreiding van griep in de VS in voorgaande jaren. Dit leverde magere resultaten op. Daarom gooiden ze het roer om en gingen op zoek naar alle mogelijke zoektermen met een hoge correlatie met de verspreiding van de griep. Ook testten ze vele miljoenen statistische modellen. Uiteindelijk vonden ze 45 zoektermen die, gecombineerd met een bepaald statistisch model, een zeer sterke correlatie bleken te hebben met de historische gegevens. Daarna kon het model worden gebruikt met actuele zoektermen en bleek het sneller en gedetailleerder dan de overheidsinstanties de verspreiding van de griep te voorspellen..

Big data analyse is anders dan de data-mining technieken die we tot voor kort gebruikten.
Allereerst is er de grote rekenkracht en opslagcapaciteit van de huidige generatie computers. Dit maakt het mogelijk om in plaats van met steekproeven met alle beschikbare gegevens te werken.
Een tweede belangrijke ontwikkeling is het gebruik van statistische correlaties tussen grootheden. Door naar correlaties te zoeken in alle beschikbare gegevens kunnen verbanden worden opgespoord die met de steekproef-methode niet boven water komen.

De mogelijkheid om enorme hoeveelheden gegevens op correlaties te doorzoeken, leidt er toe dat er meer en meer wordt vastgelegd. Niet alleen het surfgedrag of koopgedrag van mensen is interessant. Omdat sensoren steeds goedkoper worden, worden ze steeds vaker ingebouwd en gebruikt om het functioneren van techniek of het menselijk lichaam vast te leggen. Dit noemen de schrijvers dataficatie. Abstract geformuleerd: informatie over objecten en handelingen met en door objecten leggen we nu vast, want misschien kan er economische waarde uit gehaald worden.

Dit alles roept serieuze vragen op. De schrijvers behandelen er een aantal:
  • Privacy: Onze privacy wordt onder zware druk gezet door de Big Data revolutie. En nog ontmoedigender: het is niet eenvoudig om in de huidige samenleving daar aan te ontkomen. Het verzamelen van gegevens gebeurt op zoveel momenten en op zoveel manieren dat het heel moeilijk is om daar invloed op uit te oefenen. Wie stopt met het gebruik van internet, doet de smartphone uit, en vermijdt supermarkten, de winkelstraat, en het ziekenhuis
  • Kennisvergaring. We zijn in het dagelijks leven sterk ingericht op causaliteit, oorzaak en gevolg. Onze hersenen werken met "snelle" causaliteit wanneer ons onderbewuste op basis van zintuiglijke waarneming besluit dat er meteen gehandeld moet worden, denk aan pijnprikkels. Ook is er de "trage" causaliteit: al redenerend komen we tot oorzaak-en-gevolg redeneringen en conclusies. Bij Big Data speelt causaliteit geen rol meer. We zoeken naar correlaties en hoeven niet meer te begrijpen wat de dieperliggende oorzaken zijn. De vraag is welke gevolgen dit zal hebben voor de exacte wetenschap waar het experiment zo'n belangrijke rol speelt.
  • De toekomst. Big data zal grote gevolgen hebben voor de samenleving. Naast privacy en kennisvergaring zijn er andere belangrijke gebieden waar Big Data invloed zal gaan uitoefenen. Denk aan op Big Data gebaseerde beslissingsondersteunende systemen die worden toegepast in rechtspraak, of bij medische behandelingen. De kennis en de kunde om Big Data verder te ontwikkelen berust bij een kleine groep superexperts.

donderdag 26 september 2013

Groene fabels

Toen ik student was, discussieerden we over de melkfles. Wat is nu beter voor het milieu: een pak melk kopen en de verpakking weggooien, of melk in de fles nemen en die weer inleveren ? Bij het reinigen van de flessen wordt het milieu ook belast.... Ja, daar kwamen we natuurlijk nooit uit, en uiteindelijk gingen we de droge kelen maar smeren met een beugeltje Grolsch.


Dit akelige dilemma duikt steeds weer op. Het boek Green Illusions - the dirty secrets of clean energy and the future of environmentalism staat er vol mee.
Schrijver Ozzie Zehner is een Amerikaanse wetenschapper die in talrijke bladen publiceert over de sociale, economische, en politieke contexten van energiebeleid.
Hij heeft aan de Universiteit van Amsterdam een MSc-graad gehaald en doceert nu aan Berkeley Univeristy in Californië.

Green Illusions imponeert door zijn dwarse meningen. En die worden dan ook nog eens een keertje onderbouwd met een overweldigende hoeveelheid feitenmateriaal. Ozzie Zehner gaat niet over één nacht ijs....
Hij begint met een systematische behandeling van verschillende vormen van duurzame energiebronnen: zonne-energie, windenergie, energie uit biomassa, waterstof, "schone" steenkolen.
Van elke energiebron wordt aangegeven welke verwachtingen reëel zijn, en welke niet:
  • zonne-energie uit de Sahara of de Nevada-woestijn ? De investeringen om de stroom te transporteren zullen gigantisch zijn. De politieke stabiliteit in Afrika is twijfelachtig. De publieke opinie in de VS zal zich verzetten tegen gigantische zonneparken. Wanneer je de energie nodig voor de productie van de zonnepanelen meeneemt in de rendementsanalyse wordt het plaatje minder aantrekkelijk
  • windenergie dan ? Hier noemt Zehner de invloed van NIMBY-groeperingen (Not In My BackYard) die eindeloze procedures aanspannen tegen de aanleg van grootschalige windparken. Daarnaast weten de bestaande energieleveranciers handig te opereren door windenergie weliswaar "kleinschalig" te propageren, maar de ontstane goodwill bij de overheid te gebruiken om krachtiger stimuleringsbeleid te voorkomen. En kleine windmolentjes ? Daarvan is maar zeer de vraag of de CO2-balans tussen productie en gebruik positief uit valt.
  • Biobrandstof misschien ? Zehner laat zien welke desastreuze gevolgen de productie van biobrandstof uit mais heeft op de wereldvoedselhuishouding. En door ontbossing t.b.v. landbouwgronden voor biobrandstof in Indonesië wordt uiteindelijk meer CO2 geproduceerd.
Het verhaal van Zehner is in sterke mate toegeschreven op de Amerikaanse situatie. Dat neemt niet weg dat soortgelijke analyses ook in de Europese of de Nederlandse context gedaan kunnen worden. En dan zullen ook de Nederlandse groene fabels voor de dag komen....
De conclusie van Zehner is dat we niet radicaal genoeg zijn in onze aanpak van het energieprobleem. We blijven namelijk zoeken naar technologie-oplossingen die het ons mogelijk maken om steeds grotere hoeveelheden energie te verbruiken. Ons eigen gedrag blijft onbesproken.

In het tweede deel van Zehner's betoog komt hij met voorstellen hoe duurzaamheid beter kan landen in en geaccepteerd worden door de samenleving en het bedrijfsleven. Duurzaamheidsprojecten moeten realistisch en haalbaar zijn, ze moeten leiden tot verbeteringen van de levensstandaard, en ze moeten appelleren aan het "welbegrepen eigenbelang" van grote groepen mensen.
Hij geeft vervolgens vele voorbeelden, waarvan sommige me verrassen. Voorbeelden:
  • Vrouwenrechten. De ongebreidelde groei van de wereldbevolking moet tot staan worden gebracht. Een krachtig middel daarvoor is de wereldwijde educatie van vrouwen en het tegengaan van uitbuiting en uitsluiting van vrouwen in het democratische proces
  • Consumptie. De drang tot consumeren is enorm. Slimme marketing speelt hier handig op in, speciaal bij kinderen. Om dit te bestrijden moet de marketingmachine aan banden worden gelegd. Daarnaast moet het in de VS aantrekkelijk worden gemaakt om minder te gaan werken en meer vrijwilligerswerk te gaan doen. Daarnaast moet het verbruik van goederen (voedsel !) worden belast, in plaats van inkomsten en/of bezit te belasten.
  • Inrichting van de openbare ruimte. Amerikaanse suburbs kenmerken zich door een hoog ruimtebeslag en de noodzaak van een uitgebreid wegennet om woon-werkverkeer mogelijk te maken. Zehner pleit er voor om wonen en werken dichter bij elkaar te brengen, en het openbaar vervoer beter te ontwikkelen. Hij pleit voor "fietsbare" steden, wat zonder twijfel geïnspireerd zal zijn door zijn verblijf in Amsterdam. Dit lijkt op luchtfietserij, maar dat is ten dele waar. In Azië worden gloednieuwe megasteden ontwikkeld waar de nieuwste concepten voor duurzame inrichting een rol spelen.
Het is een genot om dit boek te lezen. Het analyseert scherp, ontmaskert, maar geeft ook richting en mogelijkheden. Het gaat over persoonlijke keuzes en gedrag, maar ook over politiek beleid over grenzen heen.
Dat dit op onverwachte plekken herkent wordt, blijkt uit de visie en de activiteiten van de World Business Council for Sustainable Development. Hierin werken CEO's van grote multinationals samen aan de ontwikkeling van een duurzame mondiale toekomstvisie. Peter Bakker, oud-topman van TNT, is er sinds 2012 President en CEO.





donderdag 20 juni 2013

Boek: For the common good - Daly & Cobb Jr.

De subtitel geeft het programma van dit boek weer: Redirecting the economy toward community, the environment, and a sustainable future. Het boek verscheen in 1985  voor het eerst, een tweede, bijgewerkte en uitgebreide druk verscheen in 1994.
Bij het lezen van opinies over De economie van het genoeg van prof. Goudzwaard ontdekte ik dit boek van de Amerikaanse hoogleraren Herman Daly (econoom) en John B.Cobb Jr (theoloog).
Herman Daly heeft o.a. tijdens zijn werkzaamheden voor de Wereldbank een sterke impuls gegeven aan de ontwikkeling van ecological economics. John Cobb jr. integreerde de metafysica van Whitehead met de christelijke theologie en leverde daarmee een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de procestheologie. Hij paste dit o.a. toe op ecologische vraagstukken.

For the common Good is opgebouwd uit vier delen.

In het eerste deel wordt een onderbouwde kritiek op de economie als academische discipline uitgewerkt. Doordat economen de deductieve natuurwetenschappen als voorbeeld namen werd het methodologische raamwerk van de economie gemathematiseerd. Door deze abstractie ontstond wat Whitehead the fallacy of misplaced concreteness noemt: wanneer de geabstraheerde principes worden "terugvertaald", worden er allerlei hoogst discutabele uitspraken gedaan over de fysieke werkelijkheid. De kwalijke gevolgen hiervan worden aan de hand van een aantal voorbeelden behandeld:
  1. de vrije markt als regulerend mechanisme
  2. het BNP als graadmeter van economisch succes
  3. de burger als homo economicus
  4. de economische visie op grond
In het tweede deel worden enkele koerswijzigingen voorgesteld t.a.v. de wetenschappelijke attitude van economen.
Allereerst is dat het verbreden van het gezichtsveld. De hierboven al geschetste inperking van de economie tot natuurwetenschappelijk georiënteerde academische discpline kan worden omgebogen naar een wetenschappelijke houding die oog heeft voor dienst aan de gemeenschap en de leefomgeving i.p.v. de concentratie op de individualistische en op genotsvervulling georiënteerde homo economicus.
Een tweede koerswijziging is die van chrematistics naar oikomonia, een begrippenpaar dat de oude Grieken hanteerden in hun politiek-maatschappelijke analyses. Chrematistics is "de kunst van het rijk worden", het verdienen van geld door voor een hoger bedrag te verkopen dan er ingekocht is. In de ethiek van Aristoteles is alleen die handel toegestaan waarbij producent en eindgebruiker rechtstreeks een transactie sluiten, zonder dat gestreefd wordt naar verrijking.
Oikomonia is veel meer op de gemeenschap gericht. Het is het huishoudelijke beheer dat het welzijn van de hele huisgemeenschap op het oog heeft, en voor welstand voor nu en later probeert te zorgen.
De derde koerswijziging vraagt aandacht voor het belang van gemeenschappen. Wanneer alleen wordt gedacht vanuit het individu kan de economie geen bijdrage leveren aan gezonde sociale verbanden.
De vierde koerswijziging heeft hier mee te maken: Probeer te denken vanuit de gemeenschap. Het kleinste verband is het gezin, dan volgen buurt, dorp of stad, streek of provincie, en natie. Beschouw elke gemeenschap als opgebouwd uit andere gemeenschappen. Dit is een betere benadering dan de kosmopolitische wereldburger die het resultaat is van een doorgeschoten verindividualisering. De kosmopoliet bestaat alleen in uitersten: de welvarende en rijke westerling, of de vluchteling die voor een leefbaar bestaan zijn geboortegrond verlaat. Een echte samenleving van kosmopolieten bestaat niet.
De laatste koerswijziging is een pleidooi voor denken vanuit energie en de biosfeer, dus natuurlijke hulpbronnen, in plaats van abstracties als materie, geld, en rente.
Dit deel van het boek behandelt fundamentele thema's. Het is voor een leek - waar ik mezelf toe reken - een ware uitdaging om het betoog te volgen, maar je krijgt veel terug voor die inspanning.

In deel 3 worden praktische voorbeelden utigewerkt voor de situatie in de VS in de begin jaren '90. Deze behandeling is dus tijdgebonden en over sommige zaken denken we nu anders. De schrijvers behandelen de volgende thema's:
  • vrije markt en gemeenschap
  • bevolking
  • gebruik van land
  • landbouw
  • industrie
  • arbeid
  • inkomstenpolitiek en belastingen
  • nationale veiligheid
De voorkeur gaat uit naar zo klein mogelijke leefgemeenschappen die zoveel mogelijk zelfvoorzienend zijn. Voor wie nu denkt dat dit een utopie is: Dat vond ik ook toen ik het las. Het uitdagende is echter dat alle thema's grondig worden geanalyseerd vanuit het geschetste ideaal. Omdat er zo goed geargumenteerd wordt en er voortdurend wetenschappelijke bronnen worden aangehaald om het ideaal te onderbouwen, ontkom je niet aan "meedenken": stel dat we het zouden doen.

Het vierde deel is het kortst. Hier leggen de schrijvers hun diepste motieven op tafel: waarom zouden we dit willen ?
Ook hier wordt zorgvuldig geargumenteerd. De overeenkomsten met de idealen van feministische en ecologische actiegroepen wordt goed uitgelegd. Het eigene van de stellingname van Daly en Cobb wordt in de laatste pagina's behandeld: het is de bijbelse oproep tot gerechtigheid en tot naastenliefde die voor hen van doorslaggevende betekenis is.

De schrijvers behandelen de standpunten van diegenen met wie ze van mening verschillen op een respectvolle manier. Ook worden de eigen standpunten grondig onderbouwd. Het belang van "geloof in de zaak" wordt steeds onderkend. Dat alles maakt dit pittige boek tot een genot om te lezen.


vrijdag 8 maart 2013

Eet je beter

Dese week las ik een interessante kop over een mogelijke revolutie in de geneeskunde. Het bleek een verwijzing naar een artikel in de Volkskrant over een revolutie in de geneeskunde. Daarover werd afgelopen zondag 3 maart een artikel gepubliceerd in Nature Biotechnology. In het artikel werd bekend gemaakt dat er een belangrijke stap was gezet bij het opstellen van  de biochemische routekaart. Voor de geïnteresseerden in een goede samenvatting van het Nature biotechnology artikel: Hier wordt het allemaal helder uiteengezet.


Als ik het goed begrijp komt het hier op neer dat een internationale groep van systeembiologen bij elkaar is gaan zitten om de bestaande inzichten in de werking van het menselijk metabolisme beter met elkaar in verband te brengen. Metabolisme gaat over de duizenden chemische reacties die zich afspelen tijdens de menselijke stofwisselingsprocessen. We weten inmiddels dat dit uiterst verfijnde processen zijn die zich afspelen op het niveau van de menselijke cel. DNA en enzymen spelen er een essentiële rol in.
Vanaf de jaren '90 is door de bio-informatici geprobeerd om de biochemische routekaart te modelleren en met behulp van de steeds krachtiger wordende computers door te rekenen, zie de wiki over Metabolic Network Modelling. Het in kaart brengen van het menselijk genoom betekende een belangrijke steun in de rug voor het onderzoek. Een eerste poging van onderzoekers van de Universiteit van Californië leidde tot het model Recon 1. Dat model is recentelijk aanzienlijk uitgebreid door het hierboven gemelde internationale onderzoek en het heeft geleid tot een nauwkeuriger en utigebreider model Recon 2.

Recon 2 beschrijf ruim 7000 stofwisselingsprocessen, zo'n 90 % van het totaal. De Nederlandse VU-hoogleraar systeembiologie Hans Westerhoff heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij heeft de afgelopen week uitgelegd wat het onderzoek betekent voor de geneeskunde:
  • de stofwisselingskaart + genoomkaart geven nog meer inzicht voor welke ziekten iemand aanleg heeft
  • de behandeling van ziekten kan veel nauwkeuriger en vroegtijdiger plaatsvinden
  • soms kan voedsel de rol van medicijnen overnemen
  • de groei van tumoren kan veel beter worden bestudeerd
  • diëten en behandelschema's kunnen worden gemodelleerd en doorgerekend voordat ze worden toegepast
De systeembiologen vergelijken het Recon 2 model met Google maps: in één geïntegreerde omgeving kun je het grote overzicht èn de details beschouwen en analyseren, en dat geeft veel nieuwe mogelijkheden voor verder onderzoek.

Tot zover de zegeningen en de beloften die ons te wachten staan.
Natuurlijk zijn er ook deskundigen die de verwachtingen temperen. In de Trouw van 6 maart komen enkele collega's van Hans Westerhoff aan het woord. Ze geven aan dat het nog wel even gaat duren:  Eet je beter: over tien jaar misschien, of twintig, of vijftig, zo vat journalist Wybo Algra de reacties samen. Mede-onderzoeker Hans van Beek geeft aan dat er nog veel werk verzet moet worden om goed verbanden te kunnen leggen tussen DNA-patronen en stofwisselingprocessen. 
Vroeg of laat zal de biochemische routekaart ongetwijfeld worden gebruikt in geneeskundige adviezen en behandelingen.

De vraag rijst hoe gelukkig we er van gaan worden. Als het gaat om de klassieke geneeskundige behandeling van iemand die ziek is of gezondheidsklachten heeft, en medicijnen of een therapie wil, zal de biochemische routekaart alleen maar waarde toevoegen aan het medisch instrumentarium van de geneeskundigen.
Over de voordelen van medische voorspellingen m.b.v. de routekaart ben ik gereserveerder. Deze discussie is niet nieuw. Nu al zijn door de vorderingen in het erfelijkheidsonderzoek voorspellingen mogelijk over iemands gezondheid op langere termijn. De biochemische routekaart zal deze ontwikkeling verder versterken.
Dat brengt ook lastige vragen met zich mee:
  • In hoeverre wordt onze gezondheid bepaald door onze genen en onze biochemische routekaart ? Welke verantwoordelijkheid hebben we voor een gezonde manier van leven ?
  • Heb ik werkelijk meer levenskwaliteit wanneer ik weet dat ik over twintig jaar een verhoogde kans op ziekte X heb ? Of maakt onwetendheid gelukkiger ?
  • Wat als ik weiger om geneeskundige voorspellingen te willen horen ? Wordt dat geaccepteerd door artsen, of door de samenleving ?
  • Hoe ver gaan we met het samen dragen van de kosten voor de medische zorg ? Wanneer iemand over tien jaren ernstig ziek kan worden, gaat een zorgverzekeraar dan een andere dure behandeling, die nu nodig is,  nog vergoeden ?
  • Of moeten de mensen met  verwachte medische problemen over X jaren extra premie gaan betalen?
Twee hoofdvragen komen steeds terug: Maakt weten gelukkig ? en Blijven we elkanders lasten helpen dragen ? Dat zijn allereerst heel persoonlijke keuzes, maar ook zullen we er als samenleving antwoorden op moeten geven.

vrijdag 16 november 2012

Nogmaals: science and religion

Mijn verslag van het Science and Religion congres in Heidelberg was wel heel beknopt en ging nauwelijks in op de inhoudelijke bezinning waar deze wetenschappers mee bezig zijn.
Omdat ik de lezingen op zaterdag niet heb gevolgd, heb ik wellicht het interessantste deel van het congres gemist, namelijk de dialoog tussen geloof en wetenschap. De vragen die hier spelen kennen we:
  • Kun je als wetenschapper godsdienstig zijn ?
  • Is geloven een wetenschappelijk integere levenshouding ?
  • Is geloven niet achterhaald in deze eeuw van de wetenschap ?
Bovenstaande vragen zijn variaties op één thema: Kan geloven nog wel, nu we de wetenschap hebben ?


Ik wil in deze blog mijn eigen antwoorden op deze vraag toelichten. Geloof en wetenschap trekken bij mij onbekommerd gezamenlijk op, en dat is al begonnen toen ik acht jaar was. De anecdote die daar bij hoort: Ik kreeg toen een boekje in handen over de evolutietheorie. Er stonden prachtige illustraties in,  ik vond de wereld van de dinosauriërs betoverend. Dat al die dieren hadden bestaan ! Een conflict met het scheppingsverhaal was voor mij niet aan de orde: natuurlijk had God op de één of andere manier voor dit alles gezorgd.
Beide verhalen waren voor mij even waar: het wetenschappelijke verslag, en het bijbelse scheppingsverhaal. Dat is altijd zo gebleven, tot op de dag van vandaag. Door de jaren heen heb ik me veel verdiept in de doordenking van de relatie tussen geloof en wetenschap.
Gedurende mijn studiejaren was de EO aktief met TV-programma's met titels als "Schepping en Evolutie". Daarin werden Amerikaanse creationistische ideeën over het ontstaan van de wereld met verve naar voren gebracht. De aarde kon hooguit zo'n 6000 jaren oud zijn, en het bijbelboek Genesis met daarin het scheppingsverhaal moest letterlijk gelezen worden.
Deze zienswijze heeft me nooit zo aangetrokken. Het letterlijk lezen van de bijbel brengt je al snel in allerlei problemen. Ik had toen al gelezen hoe de kerkvader Augustinus aankeek tegen de schepping, en dat vond ik een betere benadering: de wereld is door God geschapen, maar hoe dat precies gebeurd is, is een geheim. Augustinus schrijft prachtige dingen over de plaats van de tijd in Gods scheppend handelen. Dat is een heel andere denkwereld dan het creationisme.

In de afgelopen tien jaren heb ik met veel waardering twee denkers gelezen: Michael Polanyi (wiki) en John Polkinghorne (wiki).

Polanyi is een veelzijdig wetenschapper geweest: chemicus, filosoof, socioloog. Zijn belangrijkste werk is Personal Knowledge. In dit boek analyseert hij de begrippen kennis en waarheid. Hoe komen we tot kennis, wanneer is kennis waar, en welke vormen van kennis zijn er ? Het is een helder en goed onderbouwd pleidooi voor de stelling dat alle kennis, dus ook wetenschappelijke, gebaseerd is op een traditie waarin kennis en/of vaardigheden worden overgedragen van de ervaren leermeester op de beginnende student. Die overdracht vraagt persoonlijke toewijding,  en kan nooit volledig geëxpliciteerd worden. Polanyi gebruikt hier het begrip tacit knowledge, you can know more than you can tell. De zienswijze van Polanyi staat dus frontaal tegenover het logisch-positivistische standpunt waarbij wetenschap een verobjectiveerbaar en waardenvrij kennisgebied is.
Het zal duidelijk zijn dat geloofskennis in de zienswijze van Polanyi eenzelfde plaats inneemt als wetenschappelijke kennis.

Polkinghorne is in zijn jonge jaren mathematisch fysicus geweest. Op 47-jarige leeftijd vindt hij dat hij voldoende heeft bijgedragen aan de wetenschap. Hij besluit om zich toe te wijden aan zijn andere grote passie: het christelijk geloof. Hij volgt de theologische opleiding van de Church of England, en wordt tot priester gewijd. Enkele jaren is hij werkzaam in plaatselijke gemeenten. Daarna is hij actief in adviesorganen van de kerk en houdt hij zich uitgebreid bezig met het thema science and religion. Hij schrijft er vele boeken over. In mijn kast staan:
Ik heb vooral veel waardering voor Science and christian belief. In dat boek staat de Apostolische Geloofsbelijdenis centraal. Eén voor één behandelt hij de artikelen uit de Geloofsbelijdenis en bespreekt ze in de wetenschappelijke context van nu. Hij gaat in op een scala van praktische en simpel geformuleerde vragen, die iedereen begrijpt, bijvoorbeeld:
  • hoe zit het met wonderen ?
  • kan een wetenschapper bidden tot een persoonlijke God ?
  • wat is vrije wil ?
  • heeft God de aarde geschapen ?
Polkinghorne geeft onderbouwde antwoorden op deze vragen. Er worden degelijke filosofische en theologische gereedschappen gebruikt om de argumenten kracht te verlenen. Zijn onderliggende stellingname is steeds dat geloof en wetenschap zich uitspreken over dezelfde realiteit en beiden op zoek zijn naar waarheidsvinding, maar dat op verschillende manieren doen. Polkinghorne treedt daarmee in het spoor van Michael Polanyi. De fysicus Freeman Dyson wiens boek Infinite in all directions ik in een eerdere blog besproken heb, schrijft in een recensie van één van Polkinghorne's boeken dat de argumentatie polished and logically coherent is.

vrijdag 26 oktober 2012

Virtueel congres The Science and Religion Dialogue

Vandaag heb ik een aantal lezingen gevolgd van het congres The Science and Religion Dialogue, dat dit weekend plaatsvindt in de Universiteit van Heidelberg.
Ik heb dat vanuit mijn studeerkamerstoel gedaan, de presentaties werden via internet gestreamd. Het is me goed bevallen. Wanneer je even geen zin hebt ga je wat anders doen, en je eigen koffie smaakt altijd beter. Het enige wat je mist is het netwerken met de andere congresgangers. Dat geeft toch ook vaak veel genoegen.
Het begon vanochtend niet goed: het streamen werkte niet goed, waardoor er een voortdurende afwisseling was van de actuele presentatie, en fragmenten van zojuist daarvoor uitgezonden beelden. Daardoor was het betoog absoluut niet te volgen. Ik had op de congres-site een e-mailadres gezien van het bedrijf dat de techniek (video, audio, streaming) verzorgde, en heb hen een e-mail gestuurd met mijn klacht. Nog voor de ochtend-koffiepauze voorbij was, had ik al een reactie van een technicus van het bedrijf. Ze hadden inderdaad een probleem, in de pauze hadden ze instellingen gewijzigd, en of ik kon controleren of het nu goed was ? Enfin, na nog een paar e-mails heen en weer en enkele testen waren in de middagpauze de problemen verholpen.

Dan nu het congres. Vanmiddag heb ik zes lezingen gevolgd, elk zo'n twintig minuten lang. Om een indruk te geven van de onderwerpen:
  •  astronomie-1: over exoplaneten (buiten het zonnestelsel). De laatste jaren zijn er honderden ontdekt. We kunnen ze nu fotograferen, wat een technisch hoogstandje is, gezien de felheid van het licht van de moederster. Exoplaneten roepen onmiddellijk de vraag op naar de mogelijkheid van buitenaards leven. Daar werd het spannend, maar toen was de tijd op
  • astronomie-2: over een training cosmologie aan Tibetaanse monniken in India. Een onderhoudend verhaal met weinig toegevoegde waarde voor het congresthema: de dialoog tussen wetenschap en religie
  • wiskunde-1: over intuïtieve versus klassieke logica en de voordelen van het eerste voor theologische argumentaties. Dit begreep ik niet zo goed
  • wiskunde-2: over de noodzaak van extreme oneindigheden voor het doen van uitspraken over het eindige. Een briljante wiskundige was nog maar net begonnen met de betekenis van het werk van Gödel toen zijn tijd op was. Deze presentatie kon ik beter volgen, maar nog minder goed snappen
  • natuurkunde-1: over de quantum arrow of time. Een ingewikkeld verhaal over volgtijdelijkheid in de quantummechanica
  • natuurkunde-2: over de realiteit van quantumstates: bestaan ze echt, of zijn het denkconstructies ? Een grondig verhaal van nanotechnoloog Andrew Briggs. Met name zijn behandeling boeide me. Na afloop van de presentaties  heb ik wat bijgelezen over hem: een briljante fysicus en een toegewijd christen. Als je de tijd hebt, lees dan deze lezing van hem eens.
Mijn eerste indruk: Merendeels grondige verhalen van capabele wetenschappers. Allemaal hebben ze iets met het thema: Wetenschap en religie, dat is duidelijk. Tegelijkertijd is er een bonte variëteit aan onderwerpen, wijze van benaderen, vaktaal en vakterminologie. Dat maakt dat de verbinding ontbreekt, het heeft weinig samenhang en komt dus gefragmenteerd over.
Misschien dat dit morgen anders is, omdat dan niet vanuit de vakwetenschappen maar vanuit het congresthema nagedacht gaat worden.

maandag 15 oktober 2012

Maakt internet dom ?

Dat is de vraag die Nicholas Carr aan de orde stelt. Ik vind het geruststellend om te merken dat andere mensen met dezelfde vragen tobben. Eén zo'n prangende vraag is  het effect van internetten op je gezondheid. Het gaat dan over allerlei vormen van internetten: de sociale media, e-mailen, surfen, gamen, en daar kun je vervolgens van alles van krijgen: vereenzaming, een slecht concentratievermogen, gok- of pornoverslaving, te weinig beweging, en RSI.
Enkele weken geleden las ik iets over Nicholas Carr en zijn boek The Shallows. Dat trok mijn aandacht. Zijn stelling is dat het internetten onze hersenen anders laat functioneren waardoor deep thinking wordt vervangen door, u raadt het al, shallow thinking.


Ik merk al langere tijd dat geconcentreerd lezen me meer moeite kost. Voor het grondig bestuderen van een hoofdstuk of een artikel moet ik me bewust in de goede stand zetten. Wat vanzelf gaat is het diagonaal lezen of snellezen en klikkend langs allerlei links naar interessante brokjes informatie springen. Gaat dat goed komen ?

Ik ben eens stevig in de materie gedoken en heb de afgelopen dagen rustig en gedegen (jawel) de discussie over het boek van Carr gevolgd. Hij schrijft zelf het volgendeI was inspired to write the book after I realised that I was losing my own capacity for concentration and contemplation. Even when I was away from my computer, my mind seemed hungry for constant stimulation, for quick hits of information. I felt perpetually distracted.
Carr voert in The Shallows bewijsmateriaal aan uit de neurowetenschappen en de psychologie om aan te tonen dat we door het internetten op een andere manier onze hersenen gaan gebruiken. De winst: we leren snel informatie te verwerken. De rekening die we betalen: ons vermogen om geconcentreerd en creatief te denken wordt ernstig aangetast. Overigens: voor- en tegenstanders van Carr zijn het er over eens dat hij een evenwichtig beeld geeft van de sociale en mentale effecten van internet

Een typerende reactie is deze boekbespreking van Jonah Leher in de NY Times. Met andere wetenschappelijke resultaten wordt aangetoond dat onze hersenen op vele manieren baat hebben bij gamen en internetten: we gaan sneller denken en kunnen beter beslissen.
Het zal waar zijn, maar zo blijven we wel hangen in de sfeer van de onbesliste wedstrijd.

Ik vind de hoofdstelling te instrumenteel en daarom te beperkt. Het internet zou iets doen met onze hersenen, en dat heeft dan vervelende sociale en mentale gevolgen.
Gartner blogger Mark McDonald reageert  nuchter op de constateringen en de bezwaren: We kennen een lange geschiedenis van negatieve reacties op nieuwe technologieën. Dat begon al bij Socrates en het herhaalde zich bij de uitvinding van de boekdrukkunst, de telegrafie, radio en tv, en dan nu internet. Maar de wijze waarop wij zelf omspringen met de nieuwe technieken is evenzeer bepalend voor de effecten er van. Geconcentreerd lezen is toch ook een kwestie van zelfdiscipline, en deep thinking kun je bevorderen door je tijd als shallower binnen de perken te houden.
Carr heeft een nuttige discussie aangezwengeld: Ik ga weer eens kritisch kijken naar bepaalde sociale gevolgen van internet en probeer mijn leesstijl evenwichtiger te verdelen tussen shallow en deep, en dat is mooi winst.

maandag 13 augustus 2012

Chaos en zwarte gaten

Begin juli, tijdens onze vakantie in Engeland, bezochten GJ en ik een tweedehands boekhandel in Bristol. Heerlijk even snuffelen tussen al die oude boeken. Tot mijn eigen verrassing vond ik in korte tijd op het Science plankje drie populair wetenschappelijke boeken die ik nu met veel plezier aan het lezen ben. De liefde voor de natuurkunde is me altijd bijgebleven, ook al heb ik na mijn studie voor andere wegen gekozen.

Het eerste boek Chaos is van de NYT wetenschapsjournalist James Gleick. Het boek leest prima weg. Het is interessant om te lezen hoe een bepaalde zienswijze in de natuurkunde blind maakt voor alternatieven. Natuurkundigen proberen de werkelijkheid met hun differentiaalvergelijkingen te beschrijven. Daarbij geniet lineariteit de voorkeur. Dat vergemakkelijkt de analyse: kleine veranderingen hebben kleine gevolgen, dat is de aanname van de fysici. Gevallen met onverklaarbare afwijkingen worden terzijde gelegd of beschouwd als meetfout in het experiment.

Heel boeiend wordt beschreven hoe vanaf de jaren 50 en 60 op allerlei plekken ontdekt wordt dat kleine variaties in input soms grote verschillen in output teweeg brengen. Wiskundige onderwerpen die door fysici werden beschouwd als rariteiten uit de pure wiskunde blijken op vruchtbare wijze te kunnen worden gebruikt in de natuurkunde, biologie, economie, en wat al niet. Het charmante van het boek is dat je van heel dichtbij meemaakt hoe de pioniers van de chaostheorie zoals Lorentz, Smades, en Mandelbrot hun weg zoeken en een zienswijze ontwikkelen met een ongekende kracht en schoonheid. Wie kent niet de prachtige kleurenplaten van fractals ?

Het tweede boek is het bekende A brief history of time van Stephen Hawking, de briljante Engelse theoretisch natuurkundige die met name in de astrophysica zijn sporen verdiend heeft. Hij heeft baanbrekende publicaties op zijn naam staan over die rare singulariteiten die afgeleid worden uit de algemene relativiteitstheorie van Albert Einstein: zwarte gaten. Stephen Hawking heeft de spierziekte ALS en is daardoor aan een rolstoel gekluisterd.


Zijn boek A brief history of time heeft jarenlang in de bestsellerlijst van de Sunday Times gestaan. Het is een degelijke behandeling, zonder wiskunde, van de recent verworven inzichten in zwarte gaten en hun gedrag. Ik vind het fascinerend, maar je moet natuurlijk wel interesse voor sterrenkunde en theoretische natuurkunde hebben. Stephen Hawking behandelt zijn onderwerp degelijk, als een goed docent. Op het eind plaatst hij zijn behandeling in een breder kader. Als je een korte geschiedenis van de tijd beschrijft kun je er natuurlijk niet omheen enkele dingen over zingeving te zeggen. Daar blijken onze wegen te scheiden. Stephen Hawking verwacht veel van de wetenschap, het is zijn zingevingskader. Hij is op zoek naar de natuurkundige theorie die het ontstaan van het heelal verklaart. Hij schrijft: If we find the answer to that, it would be the ultimate triumph of human reason - for then we would know the mind of God. Nee, dat geloof ik niet.

Het derde boek is Infinite in all directions van Freeman Dyson. Ik heb nog een vage herinnering aan de Dyson-Schwinger vergelijkingen uit de quantumelectrodynamica. Ook Dyson is een eminent theoretisch natuurkundige. Zijn boek bevat de Gifford Lectures die hij gegeven heeft in 1986 in Edinburg. Elk jaar wordt een wetenschapper uitgenodigd om de Gifford Lectures te verzorgen, wat een hoge eer is : For over a hundred years the Gifford Lecture series has been one of the foremost lecture series dealing with religion, science and philosophy.
Freeman Dyson is voor mij een voorbeeld van een wetenschapper die geloof en wetenschap in gezond evenwicht houdt. Elk spreekt een eigen taal, elk heeft eigen regels en waarden, en geen van beiden kan worden herleid tot de ander. Dyson is scherp gekant tegen het reductionisme dat zo sterk aanwezig is bij Stephen Hawking.


Zijn boek is een feest om te lezen. Hij is een wetenschapper met een brede maatschappelijke belangstelling. Regelmatig heeft hij zich uitgesproken over politiek gevoelige zaken. Daarnaast is hij een visionair die zijn wetenschappelijke kennis gebruikt voor wat hij zelf verantwoorde science fiction noemt. Het is zijn bedoeling om jonge wetenschappers uit te dagen om zijn ideeën over b.v. tijdreizen, ruimtekolonies, of kunstmatige intelligentie te onderzoeken. Hij doet me denken aan Jules Verne, de negentiende eeuwse Fransman, die zijn tijd ver vooruit was met zijn avonturenboeken vol wetenschappelijke vondsten die toen nog niet bestonden.